
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994
Artikel 76
1
Bij constatering van het feit dat met betrekking tot een motorrijtuig ten onrechte een vrijstelling van belasting is verleend dan wel niet wordt voldaan aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden kan de belasting worden nageheven.
2
De na te heffen belasting wordt berekend over:
a
een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd, of
b
, ingeval het een motorrijtuig betreft waarvoor de vrijstelling van artikel 72, eerste lid, onderdeel n, is verleend maar uit een boekenonderzoek blijkt dat deze vrijstelling ten onrechte is verleend, de tijdsduur waarover deze vrijstelling blijkens het boekenonderzoek ten onrechte is verleend.
3
Indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur waarover de na te heffen belasting wordt berekend, niet op naam heeft gestaan van degene die het motorrijtuig houdt, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven.
4
De na te heffen belasting wordt verminderd met de belasting die over de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor het motorrijtuig is betaald en voorzover voor de belasting over die periode geen aanspraak op teruggaaf van belasting bestaat.
5
Voor de toepassing van dit artikel wordt een maand gesteld op dertig dagen.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
-
LJN BC0147, Eerste aanleg - meervoudig, AWB 07/107
Rechtsoort
Belasting
Datum uitspraak
21-11-2007
Status
gepubliceerd
Soort procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Instantie
gepubliceerd
Rechtsoort
Rechtbank ArnhemTeruggaaf BPM is niet verleend aan de kentekenhouder. Naheffingsaanslag BPM ten onrechte opgelegd aan degene aan wie de teruggaaf BPM is verleend in plaats van aan de kentekenhouder. Toepassing van artikel 20, lid 2, van de AWR niet aan de orde.